Ouderreis Stanislascollege Delft
 

De mars naar het front

Achtergrond van deze tekst is de mars naar het Albanese front op 7 januari 1941, waar de Italianen Griekenland waren binnengevallen. De dichter Elytis zelf heeft als tweede luitenant aan deze expeditie deelgenomen.

Hans leest deze tekst voor in de bus onderweg van Kipi naar Ioannina (geen 'voorleesfoto' beschikbaar)

IN DE VROEGE MORGENUREN op de dag na Driekoningen, de feestdag van Johannes de Doper, kregen we bevel weer naar het front te trekken, naar de streken waar geen door-de-weekse dagen en feestdagen gelden. We moesten, zo werd gezegd, de linies betrekken die de mensen van Arta tot dan toe hadden bezet, vanaf Chimarra tot Tepeleni. Die van Arta vochten immers al vanaf de eerste dag aan het front, zonder onderbreking en hadden nog maar ongeveer de helft van hun manschappen over en ze hielden het niet langer vol.

Nachtenlang marcheerden we voort zonder halt te houden, als blinden achter elkaar. Met moeite trokken we onze voeten uit de modder waarin we soms tot onze knieën wegzakten. Want meestal viel er een druilerige regen op de wegen daar buiten, net zo als binnen in onze ziel. En de weinige keren dat we stilhielden om te rusten wisselden we geen woord, maar ernstig en zwijgend, onszelf bijlichtend met een kleine fakkel, verdeelden we een voor een de rozijnen. Of een enkele keer, als het mogelijk was, maakten we haastig onze kleren los en krabden we ons als gekken, net zo lang tot het bloed te voorschijn kwam. Zo vreselijk hadden de luizen ons te pakken, en dat, meer nog dan de vermoeidheid, was ondraaglijk. Uiteindelijk hoorden we dan in het donker het fluitje, het teken dat we weer verder gingen, en opnieuw trokken we als lastdieren voort om zo ver mogelijk te komen voor de dag aanbrak en we een doelwit vormden voor de vliegtuigen. Want God kende geen doelwitten en dat soort zaken, en zoals dat zijn gewoonte was werd het elke dag op hetzelfde uur licht.

Griekse soldaten bij de Italiaanse invasie in 1941

En dat we de streken naderden waar geen door-de-weekse dagen en feest-dagen gelden, noch ziekte en gezondheid, noch armoede en rijkdom, konden we heel goed merken. Want de donder in de verte, als een onweer achter de bergen, werd alsmaar luider, zodat we ten slotte duidelijk het trage en zware gedreun van de kanonnen konden onderscheiden en het droge en snelle geratel van de machine-geweren. En ook gebeurde het steeds vaker dat we de trage konvooien met de gewonden ontmoetten die van de andere kant kwamen. De verplegers, om hun arm een band met het rode kruis erop, zetten dan de brancards neer en spuwden in hun handen, en ze loerden naar ons, begerig op zoek naar een sigaret. En wanneer ze dan hoorden waarheen wij trokken, schudden zij hun hoofd en begonnen verhalen van het einde der tijden. Maar wíj letten alleen maar op die stemmen die in het duister opklonken, nog gloeiend van de pek en de zwavel van de Hel. „Ah, ah, moeder” „Ah, ah, moeder”, en soms, een heel enkele keer, een benauwd snuiven, als een gerochel, waarvan zij die dat wisten zeiden, dat dat het gerochel was van de dood.

Soms sleepten ze ook krijgsgevangenen met zich mee die een paar uur tevoren waren gepakt tijdens de verrassingsaanvallen die onze patrouilles hadden uit-gevoerd. Hun adem stonk naar wijn en hun zakken zaten vol conserven en chocolade, dingen die wij niet hadden, omdat de bruggen achter ons waren vernield en ook de weinige lastdieren die we hadden hulpeloos waren in de sneeuw en de glibberige modder.

Toen zagen we op een gegeven moment in de verte her en der rookpluimen opstijgen en aan de horizon, rood en fel, de eerste lichtkogels.

Lezing I uit: Axion Esti (= Het is waardig) van Odysseas Elytis (nobelprijswinnaar).

 
teksten/de_mars_naar_het_front.txt · Laatst gewijzigd: 2007/08/19 19:33 door luc
 
Recent changes RSS feed Creative Commons License Donate Powered by PHP Valid XHTML 1.0 Valid CSS Driven by DokuWiki